HET HYDRAULISCH ORGEL



Het schitterendste aan het orgel is het feit alleen al dat we de naam van de uitvinder ervan kennen. Vele andere instrumenten worden bijna allemaal toegeschreven aan mythische personen ofwel bestaan de instrumenten al veel langer dan de leefperiode van de zogenaamde uitvinder. Opmerkelijk is ook wel dat de persoon van het orgel in wezen een ingenieur was. Zijn naam is Ctesibius van AlexandriŽ. Hij was de zoon van een kapper die zich ging toeleggen op technische zaken. Als datum van de uitvinding wordt dikwijls 246 v. Chr. genoemd. Het jaartal is niet juist na te gaan, maar de periode is zeker juist. Op zijn naam staan ook bewegende vogelfiguurtjes, waterspelen en brandweerspuiten. We weten dit dankzij verschillende klassieke auteurs. Bovendien is er geen enkele andere referentie die Ctesibius als uitvinder tegenspreekt. Onder deze auteurs waaronder Hero de Oude van AlexandriŽ (Pneumatica, I, Hoofdstuk 42), Philo van Byzantium is de belangrijkste zonder twijfel Vitruvius. Hij was een belangrijk man onder Caesar die zorgde voor legermachines en onder Augustus deed hij herstellingswerken aan de aquaducten. Hij schreef een lijvig boek 'De Architectura' geheten waarin hij het over van alles en nog wat heeft en ook over het hydraulisch orgel. Hij geeft daarin een bondige doch niet simpele beschrijving hoe het orgel in elkaar gestoken moet worden. Vitruvius was immers, net zoals Ctesibius, een ingenieur.

Voor de technische beschrijving van het orgel baseer ik me op de overlevering van Hero van AlexandriŽ. Hij beschrijft het meest elementaire orgel, het prototype van Ctesibius. Vitruvius' orgel is gewoon een verdere uitbreiding van dit type, dat verschilt in de aanwezigheid van het aantal zuigerpompen en rijen pijpen. Op de onderste basis rustte een waterreservoir. Naast dit bevond zich een pomp die in verbinding stond met een cilinder die aan het reservoir hing. Boven deze bak bevond zich een windkas waarin de lucht dan terechtkwam. En helemaal bovenaan had je de pijpen. Het gemiddelde aantal is acht, maar het kan soms gaan tot 18 met vier verschillende registers. Hoe moest je dit technisch hoogstandje bedienen en waarvoor diende elk onderdeel? Hieronder wordt dit verduidelijkt:

Tekening 1 (links): het toont hoe persoon A de pomp bedient waardoor een zuiger lucht stuwt in buis D. Er zijn twee ventielen. Een in de cilinder die ervoor zorgt dat er wel lucht in kan wanneer de zuiger naar beneden gaat, maar niet omgekeerd. het tweede ventieltje (F) bevindt zich op het einde van buis D die overgaat in ruimte G war het water zich bevindt. Het zorgt er ook voor dat de lucht niet terug kan keren. De lucht in de holte G zorgt ervoor dat het water in ruimte H opwaarts gaat, want ze is verbonden met een gaatje (I). Als de zuiger terug naar beneden gaat blijft er nog altijd genoeg druk over van het water om de overblijvende lucht te stuwen door buis J naar de windkast toe.
Tekening 2 (rechts): hier wordt getoond hoe de lucht wordt verdeeld over de pijpen. Wanneer toets A wordt ingedrukt, duwt het glijder C vooruit totdat opening D over opening E komt en er zo lucht in de pijp wordt geblazen. Wanner de speler de toets A loslaat zorgt de veer (F) ervoor dat de glijder naar zijn oorspronkelijke plaats terugkomt.

doorsnede orgel

Tekeningen: New Dictionary of Music & Musicians


Lees hier de tekst van Hero (Engels)
Of hier de beschrijving van een orgel aangedreven door een windmolentje

Vitruvius' orgel bevat meerdere registers. In de windkast bevindt zich daardoor nog een 'verdieping' die in verschillende compartimenten is onderverdeeld. De registers worden bediend met een ijzeren handgreep die onder het toetsenbord zitten. Verder is het orgel esthetischer en symmetrisch uitgebouwd. Langs beide kanten heeft hij immers een pomp aangebracht en de ventielen zijn mooie dolfijntjes die aan hun mond een kettinkje hangen hebben. Ze zijn scharnierend aangebracht zodat ze het dekseltje aan de ketting kunnen laten zakken.

doorsnede orgel van
Vitruvius
Tekeningen: Het orgel


Op een bepaald moment in de geschiedenis heeft met de beslissing genomen om een pneumatisch orgel te construeren. De eerste die er vermeldingen van maakt is de grammaticus Julius Pollux, maar men vermoedt dat men mag het begin mat plaatsen bij het begin van de Keizertijd. Men verving hierbij het ingewikkelde systeem van het waterorgel gewoon door handbalgen, die al sinds mensenheugenis worden gebruikt door de smid. Dit type kende echter zo geen grote bijval als het waterorgel. Zo werd ook bijna altijd de waterstolp ondanks de vele bewaren zoals groot gewicht en bevriezingsgevaar, toch nog bewaard. Dit type kwam men ook slechts tegen in de kleine huiskamers. Grootste reden voor het geringe succes is gewoon het feit dat het waterorgel veel interessanter was voor geleerden door zijn technische aspecten, die er ook voor zorgden dat het waterorgel veel meer geluid produceerde, ideaal voor bij theaterspelen etc. Tekenend voor dit verschil is bijvoorbeeld het orgel van Aquincum: hoewel het een orgel was met balgen, werd het ingeschreven als 'hydra'. Het wateraspect van het orgel begeesterde de mensen duidelijk.

Orgelmuziek: Tussen de praktijk en de theorie van het orgel hangt een groot zwart gat. Uit beschrijvingen die we hebben aan de hand van auteurs en de vondst van - tot nu toe - slechts 1 bijna intact orgel komen we weinig te weten over de musicologische aspecten van het instrument. Vooral over de klankkleur en de toonhoogte woeden er vele discussies. De vraag die rijst rond de klankkleur is de volgende: konden de pijpen van het orgel naast het koper ook uit riet bestaan. Bronnen melden ons immers dat de toonkwaliteit van het orgel de ene keer zeer zoet is, de andere keer enorm donker en zwaar. Het laatste wordt door de organisten gelinkt met rieten pijpen. Afbeeldingen tonen ons echter nooit dat rieten pijpen ooit gebruikt zouden geweest zijn. En het orgel van Aquincum (cf. verder) had koperen pijpen. Deze discussie is al enorm lang bezig en is volgens sommigen zelfs onzinnig! Het tweede grote probleem draait rond de toonhoogte en het gebruik van toonaarden. Studies van het orgel van Aquincum leveren tegenstrijdige conclusies op. Walcker-Mayer verdedigen dat het orgel diatonisch was gestemd, Perrot is er zeker van dat het een chromatisch gestemd orgel is. Ook de studio van afbeeldingen is misleiden. Aan de hand van het tellen van het aantal pijpen en het meten van de kortste en langste pijp zou men zo de toonaard kunnen bepalen. Maar dit is gestoeld op het geloof dat de afbeeldingen waarheidsgetrouw zouden zijn. En dit is moeilijk te bewijzen. Bovendien is het gat tussen de theorie en de muzikale praktijk in de oudheid ook niet gemakkelijk in te vullen. Daarom gaat met uit van de bewering van Bellerman dat het orgel enkel kan spelen in 5 toonaarden. Gevolgd van deze stelling is dat er ongeveer 30 tonen kunnen aangeslaan worden. Een laatste probleem is de vraag of het orgel polyphonisch kon spelen, wat ook de algemene vraag is of de Grieks-Romeinse muziek Łberhaupt polyphonisch was. Bevestigend voor deze stelling is de technische capaciteit af te leiden van afbeeldingen (maar zijn die waarheidsgetrouw ?) Probleem echter is dat de muziek in wezen niet-polyfonisch was!

Succes en ondergang: in de beginjaren van het ontstaan werd het orgel meer bekeken als een technisch wonder dan een muziekinstrument. Maar naderhand won het aan belangstelling en ontstonden de eerste wedstrijden. We weten bijvoorbeeld van een inscriptie dat in Delphi in 90 v. Chr. een orgelwedstrijd werd gehouden die gewonnen werd door Antipatros. De eerste vermelding in Romeinse geschriften komt van de hand van Cicero (160-43 v. Chr.). Hij vergelijkt de stemmen van het orgel met de fijnste lekkernijen en de meest zinnelijke genoegens, zoals gerookte aal, bloemenpracht, parfums en rozengeur. Vanaf de keizertijd kende het een grote verspreiding en had een groot aanzien bij de groten der aarde (keizers, filosofen, wetenschappers.). Vooral de keizers speelden erop. Nero beloofde bijvoorbeeld dat hij als organist zou optreden indien hij de opstand van de GalliŽrs zou bedwingen. Zeker vanaf de tweede eeuw werd het zeker een luxeinstrument. Er werden vele afbeeldingen gemaakt op munten, olielampen in de vorm van het orgel zodat het gewone volk dit kon bewonderen. Door de volksverhuizingen in de 5e en de 6e eeuw daalde de aanwezigheid van het orgel in het West-Romeinse rijk. In het Oost-Romeinse bloeide het instrument verder nadat Constantinopel de hoofdstad van het Romeinse Rijk werd gemaakt door Keizer Constantijn.

Overblijfselen: Vanuit de oudheid zijn vele zaken bewaard die iets met het orgel te maken hebben. Een belangrijke bron zijn de contorniaten. Dit zijn munten die niet werden gebruikt voor de dagelijkse geldomloop. Ze werden speciaal geslagen als gedenkmunten voor feestelijke spelen in het (amfi)theater.

Dit is een contorniaat van Nero. Op de achterkant van de munt staat een waterorgel met een niet precies identificeerbare persoon op de linkerzijde. De woorden LAURENTI NICA kunnen er op wijzen dat Laurentius de winnende of favoriete orgelspeler van die bepaalde wedstrijd was. (cabinet des Medailles)

contorniaat van Nero
Foto: Cabinet Des Medailles




Op deze munt zien we een orgel geflankeerd door twee personen. Ze stamt uit de tijd van Keizer Traianus (98-117 n.Chr.) en wordt bewaard te Leiden

contorniaat van
Trajanus
Foto: Koninklijk Penningkabinet Leiden




Deze contorniaat stamt vanuit de tijd van Valentiniaan (424-455). Op de achterkant staan boven het orgel de woorden PLACEAS PETRI. Petrus was blijkbaar een orgelvirtuoos uit die tijd. Nog interessant is dat we goed twee knapen kunnen onderscheiden die de luchtpompen bedienen.

contorniaat van Valentiniaan
Foto: Cabinet Des Medailles




In de oudheid bestonden centra die speciaal olielampen vervaardigden. Zo ook bestond er een in Carthago die speciaal lampen in vorm van orgels maakten. Deze afbeelding hieronder is gevonden te Carthago (datering rond 175-250). De inscriptie POSSESSORIS duidt op de naam van de ceramiekwerkplaats 'Pullaen Possesor'. Aan de voorkant zien we de verschillende pijpen en vooral de twee gaten waarin de olie werd gegoten. De achterkant toon ons de speler, helaas alleen maar de onderkant.



Foto links: Nationaal Museum Copenhagen
Foto rechts: Nationaal Museum Carthago


In Trier, in de villa van Nennig, ontdekte men in 1852 een mozaÔek met daarop een orgelscŤne afgebeeld. Ze dateert uit het tijperk van Hadrianus (177-138). De traditionele zeshoekige vorm van de onderbouw en de zijdelings aangebrachte zuigerpompen zijn duidelijk zichtbaar. Naast het orgel staat een hoornspeler. Samen begeleiden ze waarschijnlijk een gladiatorgevecht waar ze ook duidelijk naar kijken. Deze twee instrumenten werden meestal gebruikt voor muziek in de theaters.



Foto: Rheinisches Landesmuseum Trier


houten reconstructie


De spectaculairste vondst is wel dat van een orgel zelf. Het is tot nu toe het enigste exemplaar dat gevonden is. We spreken over het orgel van Aquincum. Dit werd gevonden in 1931 te Colonia Aquincum dat nu het huidige Budapest is. Het werd gevonden in het verenigingsgebouw van de brandweerlieden van de stad wiens gebouw afbrandde in de tweede helft van de derde eeuw n. Chr. We weten dankzij de inscriptie wanneer het geschonken is, dus zal het bouwjaar er niet ver van liggen. De inscriptie luidt: 'Gaius Julius Viatorinus, gemeenteraadslid (decurio) van de Colonia Aquincum, Aedil en hoofd van het college van de meesterwevers (die ook dienst deden als brandweer), heeft dit orgel aan het bovengenoemde college, op zijn eigen kosten, als geschenk aangeboden, in de tijd dat Modestus en Probus Consul waren (in 228 na Christus). De houten en de leren delen van het orgel waren verloren gegaan, maar dankzij de bronzen onderdelen kon grootte, vorm en constructie min of meer berekend worden. De reconstructie werd verzorgd door de Hongaarse orgelbouwer Gangsters. het staat echter vast dat het niet in alle details overeenkomt met het origineel. Het orgel had vier rijen van telkens 13 pijpen, dus 52 in totaal. Het had dus vier kanalen die de registers konden regelen. Bij het orgel is ook een deel van de luchtdrukregelaar gevonden (pnigeus) die in de met water gevulde bak moet hebben gezeten. Of dit een werkelijk een waterorgel is, weet men niet zeker. Ik vermeldde al dat ondanks de invoeren van balgorgels, men steeds nog de bak met water liet inbouwen.

Klik hier voor een doorsnede van het orgel


Bij de opgravingen van PompeÔ werd een decoratief plaatje van een orgelfront gevonden. De rest van het instrument was door de extreme hitte van de lava verbrand.


Foto: Kopie bewaard in het Gemeentemuseum Den Haag, origineel in Archeologisch Museum te Napels